juli
2025

Gepubliceerd door Freek Zwanenberg in Online jeugdcultuur
Tussen Tate en Tinder: over jongens, aantrekkingskracht en echte ontmoeting
Deze gastblog is geschreven door Martine Hogerwerf, docent en schoolopleider op de Werkplaats Kindergemeenschap, en trainer (agressie- en straatcultuurtrainingen). Als professional, maar ook als moeder, heeft Martine direct te maken met de impact van ‘manfluencers’ als Andrew Tate. Wat hebben jonge mannen nodig van ons?
Wat is er aan de hand met jonge mannen?
Deze vraag stelde Arjen Lubach zich in een aflevering van De Avondshow, waarin hij onder meer sprak over de invloed van Andrew Tate en de wereld van online dating. Het zette me aan het denken.
Als moeder van drie zonen (20, 19 en 14) en als docent op een middelbare school zie ik die invloed dagelijks. In mijn mentorklas zit een groepje jongens dat Tate volgt. Toen ik de uitzending aan hen liet zien, gniffelden ze wat. Lubach zet Tate direct neer als vrouwenhater — en dat maakt het lastig voor jongens om hardop te zeggen dat ze hem serieus nemen. Maar in kleinere gesprekken hoor ik iets anders: ze vinden sommige adviezen juist helpend. Sporten, grenzen stellen, voor jezelf zorgen, je leven op orde brengen. Zeker voor jongens die zich soms alleen of machteloos voelen, zijn dat concrete kapstokken.
Wat me in Lubachs uitzending vooral raakte, was het deel over datingongelijkheid. Op Tinder blijkt slechts zo’n 5% van de mannen naar rechts geswipet te worden door vrouwen; de overige 95% blijft grotendeels onopgemerkt. Dat getal bleef bij me hangen, omdat het me direct deed denken aan wat ik zelf heb ervaren tijdens het groepswerk in mijn opleiding in psychodynamisch werken. Rond dag vier ontstaat er vaak een kantelpunt in de groepsdynamiek, bij volwassenen maar ook zichtbaar bij jongeren.
Als groepen in de overlevingsstand komen
Psychoanalyticus Wilfred Bion beschreef dit als het moment waarop groepen overschakelen naar een onbewuste, instinctieve modus: de “basic assumption-group”. In plaats van taakgericht samenwerken (wat Bion de “work-group” noemt), komt de groep in een soort overlevingsstand terecht. Dan zie je strategieën als vechten, vluchten, bevriezen, afhankelijk worden of… “pairing”. Bij pairing richt de groep zich op een duo. Twee mensen die — vaak onbewust — symbool worden voor hoop of vernieuwing.
In plaats van de onzekerheid of chaos in de groep aan te kijken, fantaseert men: misschien wordt hier iets moois geboren. Het lijkt iets warms en lichts, maar het kan ook verlammend werken. De rest van de groep gaat toekijken, afwachten, zich kleiner maken.
In die fase deden we weleens een oefening die altijd iets losmaakte. We vroegen deelnemers om elkaar letterlijk op aantrekkelijkheid te rangschikken. Ja, echt. Mannen én vrouwen. De spanning steeg. Er werd geschoven, gegniffeld, vergeleken. Wie stond er vooraan? En vooral: wie eindigde achteraan? Wat me telkens opviel: de ‘meest aantrekkelijke man’ werd vaak gekozen op basis van een machohouding — zichtbaar, stoer, dominant. De ‘meest aantrekkelijke vrouw’ had vaak een jong uiterlijk en een uitgesproken vrouwelijk figuur.
Alsof de groep onbewust teruggrijpt op eeuwenoude sjablonen — archetypen, zoals Jung ze noemde. De leider, de verleidster, de held, de muze. Ze verschijnen vanzelf, spelen hun rol, en de rest projecteert. Maar wat je ook ziet: degene die niet gekozen worden, worden boos. Geraakt. Afgewezen. En terecht. Want het doet iets met je, als je letterlijk op uiterlijk gerangschikt wordt — en onderaan eindigt.
Gekwetste mannelijkheid
En precies dát is wat Andrew Tate voedt. Hij pikt die woede op, die gekwetste mannelijkheid. Hij biedt er een verhaal bij: je wordt afgewezen omdat vrouwen niet deugen, omdat het systeem tegen je is, omdat jij je moet wapenen. Het is verleidelijk om dat verhaal te geloven. Zeker als je het gevoel hebt dat je buiten de boot valt.
Wat ik mijn leerlingen wil meegeven, is dit: Het gaat niet over jou. Het gaat over groepsdynamiek. Over projectie. Over beelden die groter zijn dan jijzelf. Over een dag-vier-oefening die niets zegt over jouw waarde als mens, maar alles over wat een groep nodig denkt te hebben om zich veilig te voelen. Toen ik dit met mijn leerlingen besprak, zag ik de jongens opkijken. Ze vielen even stil. En de meisjes ook. Het raakte iets echts.
Thuis, aan tafel, praatte ik er nog over door met mijn zoon van 14. Hij vertelde dat hij op internet had opgezocht hoe je indruk maakt op meisjes. Hij kwam met verrassend wijze tips. Zoals: praat 60% van de tijd over haar, 20% over jezelf, en 20% over wat er nú gebeurt — bijvoorbeeld dat het ijsje lekker smaakt, of dat je de film mooi vond. Ook zei hij dat je moet aansluiten in een gesprek, reageren op wat zij zegt en daar iets van jezelf aan toevoegen. En dat je initiatief moet tonen, laten merken dat jij de leiding neemt — want dat zouden meisjes onbewust aantrekkelijk vinden.
Jongeren willen hierover praten
Ik stond versteld van zijn inzichten. Tegelijk voel ik hier ook het spanningsveld. Waar haalt hij deze informatie vandaan? Wat is waar? Wie bepaalt dat? Hier zie ik het risico van figuren als Tate. Juist daarom is het zó belangrijk dat we met jongeren in gesprek blijven. In de klas én thuis. Op school ontstonden er, naar aanleiding van dit onderwerp, mooie gesprekken tussen jongens en meisjes. Dit leeft echt onder jongeren. En als je een les weet vorm te geven die hierbij aansluit, dan wordt het gegarandeerd een inhoudelijke en betekenisvolle les.
Wat onze jongeren nodig hebben, is niet méér beeldvorming, maar meer ruimte om elkaar echt te leren kennen.



